Elk jaar rond sinterklaas is mijn opa (lees onze opa) extra in mijn gedachten aanwezig. Niet alleen omdat hij op 7 december 1924 is geboren, waardoor ik word herinnerd aan zijn verjaardag maar ook omdat hij vroeger elk jaar Sinterklaas speelde. Hij was geen lelijke nep Sinterklaas, nee hij was voor mij en mijn 3 broers ‘de echte Sinterklaas’. Elk jaar gingen we naar de jachthaven in Uitgeest, waar hij groots aankwam met een super gave versierde boot, vol cadeaus, pepernoten en grappige en vrolijke pieten. We zongen uit volle borst alle liedjes mee en hoopten dat we niet in de zak zouden worden meegenomen. We kropen vol vertrouwen bij hem op schoot, kregen cadeaus en aan het einde van de dag zaten we onder de kruimels van de pepernoten. Mijn opa was elk jaar standaard op deze dag ‘zijn boot aan het winterklaar maken’. Toen ik een jaar of zes was en naast mijn oma op het sinterklaasfeest zat zei ik tegen haar: “Sinterklaas heeft precies dezelfde stem als opa” waarop mijn oma me verzekerde dat alle oude mannen zo’n stem hebben, waardoor ik nog een jaartje langer in deze goedheiligman geloofde. Toen we tieners waren mochten we met hem mee, hij was sinterklaas en wij waren zijn pieten.

Naast goedheiligman, had mijn opa nog meer ‘eigen- aardigheden’ waarover ik al eens eerder heb geschreven. Hij was eigenwijs, bij de tijd, hij hield van de nieuwste uitvindingen, hij maakte zijn laatste cruise op 87 jarige leeftijd. Hij was ongeduldig, goedgeefs, ondeugend, speels, grappig, hij had liefde voor piano muziek, hij was stout, slim, een goede vriend trots, trots op wie hij was, trots op wat hij gedaan heeft, soms te trots om sorry te zeggen, heel erg trots op mensen die hem hielpen.

Ik ben trots op hem, trots omdat hij, hij was met al zijn eigen aardigheden. 

Afgelopen zomer toen ik in Italie op vakantie was droomde ik elke nacht over hem. Hij verscheen op een levendige manier in mijn dromen. Ik werd er keer op keer wakker van. Ik kwam erachter dat hij wilde dat zijn oorlogsverhaal gedeeld zou worden met de wereld. Vanaf het moment dat ik dit inzicht kreeg en hem ‘beloofde’ dat ik het op een dag zou gaan doen, is hij niet meer in mijn dromen verschenen. Toen ik dit met mijn broer deelde, gaf hij aan met hetzelfde idee te hebben rond gelopen.

Ik weet niet waar er een goed forum is om dit prachtige verhaal te delen, daarom deel ik het op mijn website. Het is door hem zelf geschreven, aan ons achter te laten. Ik geloof dat hij dat niet voor niks heeft gedaan. Wat ik hoop en wat hij waarschijnlijk ook hoopte is dat we van zijn verhaal iets kunnen leren en dat dit verhaal terecht komt waar het terecht hoort te komen.

We zijn er tenslotte allemaal door gevormd….

Mijn oorlogsverhaal: mei 1940 tot september 1944

In mei 1940, toen de oorlog uitbrak, was ik 17 jaar en zat in de hoogste klas van de Hartenlustschool in Bloemendaal. Mijn jeugd was fijn en mijn ouders hoefde zich over het algemeen geen nodige zorgen over mij te maken.

Ik heb een blauwe maandag op het lyceum gezeten, maar daar moest weer van af omdat ik niets aan mijn huiswerk deed. In juli 1940 ging ik op voor het eindexamen A, waarvoor ik zakte, want er was te veel dat mijn aandacht afleidde: mobilisatie, inkwartiering, oorlog. Het jaar erna wilde ik B gaan doen (geen boekhouden, handelskennis en –rekenen, maar in plaats daarvan: logaritmen, goniometrie en werktuigkunde, waar ik later op de Zeevaartschool veel profijt van heb gehad).

In september 1940 begonnen wij met een zestal leerlingen van de eindexamenklas, met een latere uitbreiding van enige andere knapen, aan een illegaal blaadje dat de naam kreeg: Alles Sal Reg Kom (was een Zuid Afrikaans gezegde) met een oplage van aanvankelijk ongeveer 100 stuks, groeiend tot ongeveer 500 exemplaren. Later gingen wij samen met een groep in Haarlem en de oplage liep op tot omstreeks 1000 stuks. Het verspreidingsgebied was in het begin: Bloemendaal, Santpoort en Overveen; later kwam Haarlem erbij en nog later Amsterdam. Wij verspreidden ook illegale foto’s van de koninklijke familie in ballingschap. Met een kleine groep deden wij ook sabotagedaden en wij hielden ons bezig met wapentransporten, hoofdzakelijk wapens, die door Nederlandse militairen verstopt waren kort na de capitulatie. De blaadjes werden eerst op stencil gemaakt op een oude schrijfmachine, werden daarna vermenigvuldigd met een aftands en primitief werkend apparaat.
Wij betaalden het papier, de stencils en de inkt uit eigen zak en wij vingen 10 cent per exemplaar.
Toen wij wat meer geld hadden, kochten wij betere spullen.
Er was een jongen bij die goed kon tekenen en hij maakte mooie spotprenten, die erg in de smaak vielen bij de lezers. Door de latere uitbreiding is er een knul bij gekomen die alles op een gegeven moment verlinkt heeft.

In januari 1941 werd ik, met een aantal anderen gearresteerd door de Sicherheitsdienst;eerst dacht ik dat het hetzelfde was als de Gestapo, maar later heb ik gelezen dat het twee verschillende diensten waren, die hoewel zij hetzelfde deden, elkaar beconcurreerden en probeerden elkaar vliegen af te vangen. Dat is vooral het geval geweest bij het beruchte England-Spiel in 1942/43, jammergenoeg niet ten voordele van de slachtoffers, integendeel, want vaak werden zij twee keer gepakt. Ik werd overgebracht naar het Kenaupark waar het verhoor plaatsvond, wat niet zo zachtzinnig gebeurde.

Na het verhoor en het tekenen van het Protocol (verslag van het verhoor) werd ik overgebracht naar het politiebureau aan de Smedestraat. De volgende dag naar het Huis van Bewaring, Harmenjansweg.
Na enige dagen vandaar met enkele anderen naar het Huis van Bewaring, Kleine Gartmanplantsoen, Amsterdam. Een echte SS-gevangenis waar ik letterlijk ingeslagen werd. Ook de “intake” of hoe je zoiets in het Duits noemt, ging niet zo zachtzinnig; veel klappen en schoppen. Daarna naar de gang met gezicht tegen de muur (drei Nasen gegen die Wand)-drie neuzen tegen de muur- twee neuzen van je schoenen en je eigen neus) en als je maar een beetje daarvan afweek, kreeg je een klap tegen je hoofd en/of een trap tegen je achterwerk. Je sloeg dan met je neus tegen de muur met als gevolg een bloedneus. Bij één van mijn vriendjes is die schop blijkbaar verkeerd terecht gekomen, zodat hij enige jaren later een nier heeft moeten missen, wat weer nare gevolgen heeft gehad in zijn verdere leven, zoals klinieken, sanatoria, rotbaantjes en dientengevolge een slecht pensioen, waar zelfs nu nog zijn weduwe de nadelen van heeft.

Ik kwam in een cel, alleen. Na een week naar een andere cel met nog twee; met z’n drieën in één cel die eigenlijk gemaakt was voor één persoon. Het was krap, maar wel gezelliger. De ene was een Jodenjongen uit Haarlem. Zijn vader had een soort “van-alles-wat” winkel in de Cronjéstraat (volgens mij was hij altijd doodsbang en door mijn andere celgenoot werd hij Moos genoemd). Die andere man was een (echte) Amsterdammer die een partij lood had gestolen van de Wehrmacht waar hij voor werkte en die bij het verlaten van het terrein gesnapt was. Op een avond vlak voor het eten kwam er een SS-er en die trapte de poep-en-piston om. Die emmer zat al aardig vol. Wij moesten op de gang gaan staan en die Jodenjongen moest alles opruimen. Stinken als de pest natuurlijk; hij had geen trek meer in eten en wij hadden een extra portie.

Na de Februaristaking (1941),waarbij veel mensen werden gearresteerd en er een tekort aan celruimten kwam, werd ik overgebracht naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg, waar het regiem wat minder streng was: één SS-er per wacht met een aantal Nederlandse beroepsbewaarders, terwijl er in het Huis van Bewaring alleen maar SS-ers waren als “bewakers” waren. (gefrustreerde SS-ers die eigenlijk opgeleid waren om te vechten). Ik kwam daar in een cel met z’n drieën, die twee anderen mannen bleken bij dezelfde groep te horen als ik; ik kende ze niet; zij waren van de Haarlemse groep. SS-ers in een groep zijn absolute rotzakken en zij willen blijkbaar niet voor elkaar onderdoen. Individueel vielen ze wel mee. Weer later kwam ik in een andere cel samen met o.a. een man die secretaris was bij het NVV, de latere FNV. Hij was gearresteerd vanwege de Februaristaking. Na de oorlog was hij elke zaterdagmiddag te horen bij de VARA op de radio met een rubriek: ”Van de wieg tot het graf” en pleitte voor de invoering van een sociaal verzekeringsstelsel, zoals WW,WAO enzovoort, zoals wij dat nu kennen.

Ik ben ook nog ziek geworden, waterpokken en had allemaal blaasjes op huid en hoofd; een moffenarts vroeg aan mij, staande op enige meters afstand van mij: Hast du Gaense gefressen- heb je ganzen gevreten- dingen die ik nog nooit op mijn bord gehad had en zeker niet in het gevang. Heb toen nog een poosje in het Wilhelmina ziekenhuis gelegen op de isoleerafdeling, want ik mocht geen contact hebben met andere patiënten.(was eigenlijk bestemd voor mensen met een besmettelijke ziekte).

Op 9 mei stonden wij voor het Kriegsgericht in Utrecht, ik kreeg daar 1 jaar en 3 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.(De eis was 3 jaar). Zou dus eind april 1942 weer vrij zijn. Anderen kregen straffen variërend van 3 maanden tot 2 jaar. Er werd ook een aantal vrijgesproken. De man die ons had verraden, kreeg als beloning 40 gulden per aangegeven man; totaal waren het er 40, dus 40 maal 40 is 1600 gulden, in die tijd een goed jaarinkomen. Later is hij ergens op de Veluwe doodgeschoten, als “dank” voor de aan ons bewezen dienst. Men zegt dat hij tijdens de rechtszitting in een kamertje ernaast gezeten heeft.

In juni 1941 werden wij vervoerd naar Duitsland, eerst naar Kleef, zakjes plakken. Na ongeveer 3 weken op transport, via verschillende gevangenissen, o.a.Keulen (elke nacht zware bombardementen rondom, afweergeschut op het dak, bewakers in de schuilkelder: luguber) en waar ik drukknoopjes op kaartjes moest doen, naar Wittlich in de Eifel. Daar was een jeugdgevangenis, tevens opvoedingsgesticht voor jeugdige criminelen, waar wij ook toe gerekend werden, maar dat ook weer voordeeltjes had: je had bepaalde (geringe) privileges, hoewel de Duitsers er meer hadden. Het deed zich daar allemaal erg vriendelijk voor, maar dat was maar schijn. De directeur werd Oberlehrer genoemd (Hoofdonderwijzer) de fourier werd aangeduid met Hausvater, (de vader des huizes) en de bewakers werden begeleiders (Begleiter) genoemd; vergeet dat vriendelijke maar. Wij moesten onze kleren en andere bezittingen inleveren; strippen tot op de huid en menige schop onder mijn blote kont gekregen. Kregen gevangeniskleding en schoeisel; er waren blijkbaar twee maten: òf te klein òf te groot en als je geluk had, paste er wel iets. Geen sokken, maar voetlappen,die je om je voeten moest vouwen. Onze hoofden werden kaalgeknipt; dat was lachen geblazen, want sommige mensen hebben maar raar gevormde hoofden als ze kaal zijn.

Wij moesten buiten de poort werken en allerhande klussen doen, het meest nabij spoorwegemplacementen, waardoor wij nog wel eens een paar sneden brood uit een trein toegeworpen kregen. Op zondagen, als wij niet hoefden te werken (wat maar zelden voorkwam) gingen wij naar de kerk (één van onze privileges); een verzetje voor ons. De organist in een bruin SA-uniform met een hakenkruisband om zijn arm, de dominee die ons op de hoogte bracht van de vorderingen in de laatste week van het Duitse leger, de luchtmacht en de marine: zoveel Russische krijgsgevangenen gemaakt, zoveel bommen op Engeland gegooid en zoveel tonnen scheepsruimte getorpedeerd. Werden altijd vervoerd met open trucks en in het najaar, als de appeltjes aan de bomen hingen, (in de Eifel staan veel appelbomen langs de weg) met een hooivork tegen de bomen slaan, zodat de appeltjes in de aanhanger vielen en wij ze daar weer later uit konden halen. Sigaretten (Gauloises) en tabak bietsten wij bij Franse krijgsgevangenen. Weliswaar rookte ik niet, maar ik ruilde dan mijn deel in voor brood bij jongens die wel een snee brood over hadden voor een paar halen tabaksrook. Eén sigaret voor een snee brood was ongeveer de norm.

In oktober werd ik overgeplaatst om te gaan werken aan een Autobahn in aanleg; werd daarvoor ondergebracht in een houten barak in een gehucht Flussbach, niet ver van Wittlich. Een soort strafkamp van de gevangenis en dus goed voor buitenlanders. Die winter was het heel erg koud (gingen wel aan het werk bij 30 graden vorst en de ijzeren koevoeten plakten aan onze blote handen), de winter duurde lang- het eten, de ligging en kleding waren slecht, geen sokken, geen handschoenen: in feite abominabele omstandigheden (in plaats van sokken gebruikten wij lappen gescheurd van surrogaat cementzakken- zoiets als jute maar dan van papier). Wij lagen met 10 man op een kamer, meest Hollanders, een Belg, een Kroaat en een paar Fransen. ’s Nachts ging er een houten balk voor. Hoe dat had gemoeten als er brand was uitgebroken weet ik niet, alleen maar brandbare stoffen, behalve de kachel en de ledikanten, geen nooduitgang, de ramen getralied en de deur geblokkeerd en uiteraard geen bijl en ook geen blusmateriaal. Vóór wij aan het werk gingen, eerst hout bij elkaar slepen voor een vuur voor de bewakers, wij moesten daarna gewoon aan het werk: werd je warm van zeiden ze, maar wij hadden niet zoveel om warm van te worden en ’s middags om 4 uur was het al minstens 5 graden onder nul. Gebrekkige medische verzorging- wij hadden een gevangene als arts, maar hij was bijna altijd dronken, kennelijk brouwde hij ergens wat van. Er was geen enkele vorm van tandheelkundige voorziening. Wij hadden wel een kapper om ons te knippen en te scheren, want wij hadden geen eigen scheergerei. Hij was een Duitser, ook gevangene. Had een “zacht” baantje want hij zat al lang en moest ook nog heel lang zitten, ik geloof levenslang. Hij was veroordeeld wegens moord, en het was wel een raar idee om een moordenaar aan je hoofd te hebben met een groot scheermes vlak bij je keel, maar alles went.

Beter iets dan niets. Geen treinen in de buurt, en dus geen sneden brood, geen appelbomen, niets te krijgen of te jatten, soms een koeienvoederbiet bij een boerderij. Geen kerk om naar toe te gaan en dus geen verzetje. Franse krijgsgevangenen op grote afstand en dus niets te bietsen. Lagen daar met tien man op een kamer, hutjemutje bij elkaar met een vuilnisemmer als poep-en-piston, die ’s morgens om 4 uur al vol was vanwege de waterige soep en de kou; dan maar buiten het raam tussen de tralies door piesen in de snijdende vrieswind. Zo’n vuilnisbak mat 50 liter en als je met 10 man in 10 uur tijd zo’n bak vol pist, moet je heel wat presteren op dat gebied. ’s Avonds een potkacheltje aan met gestolen vetkolen (geen vuurstenen en de wand werd als hij brandde roodgloeiend); het vuur werd gemaakt door een Fransman; een dun metalen draadje met een watje van de dokter in het lichtpunt, kortsluiting en een vlammetje en alsmaar blazen in de kachel tot hij brandde en waar wij dan eventueel de plakken voederbiet tegen gaar maakten. Later mochten wij niet meer stoken, omdat er 10 Polen op één kamer waren omgekomen door koolmonoxidevergiftiging. Wat eten betreft stonden wij helemaal op de onderste plaats van de lijn. Eerst kwam het leger, luchtmacht en marine. Veel militairen die goed gevoed moesten worden. Daar ging veel voedsel naar toe; lange aanvoerlijnen naar de soldaten in Rusland met voedseltransporten, die frequent werden overvallen door Russische partizanen. Daarna kwam de bevolking die ook tevreden gehouden moest worden, want niet alleen de liefde, maar ook de motivatie, bij zowel militairen als bij burgers, gaat door de maag om te kunnen doorgaan en volhouden. De burgerbevolking had het zwaar te verduren onder de Engelse- en later ook de Amerikaanse bombardementen. Als allerlaatste kwamen de gevangenen en in het algemeen werd lokaal beschikbaar voedsel voor ons gebruikt: ’s morgens als ontbijt één snee droog brood met niks en twee maal per dag een soort soep van voederbieten en water, behalve op kerstavond (Heiligen Abend), dan zat er wat meel door de soep en was daardoor aangebrand, wat weer eens een andere smaak gaf. Soms kregen wij een Pelkartoffel, dat is een aardappel in de schil gekookt. Je moest dan dat vel eraf halen. Daar had ik geen zin in en dus at ik hem met vel en al op. Later kwam er dan een Fransman met een doosje onder zijn arm en riep dan bij de deur: Niks pel?, want hij stopte die vellen in zijn pijp om op te roken.

Bij het werk stond er altijd een Franse jongen naast mij; hij verstond geen Duits, ik wel en ik sprak ook wat Frans. Ik kon hem dan zeggen wat wij moesten doen. Aan schelden, schoppen en slaan geen gebrek; niet alleen met de hand in je gezicht, maar ook met de kolf van een karabijn. Schelden doet geen pijn, schoppen en slaan kan hard aankomen. Wij werden regelmatig uitgescholden door de bewakers en vooral de buitenlanders moesten het ontgelden. Ik heb daar heel wat Duitse scheldwoorden geleerd. Die Fransman werd wel uitgescholden voor o.a.: du Faulenzer, (luilak)du verdammter französischer Schweinhund (verdomde Franse hond); die Franse jongen vroeg dan aan mij wat die vent zei en dan zei ik maar: merde toi, wat een Frans scheldwoord is: (eigenlijk hetzelfde als het Engelse “shit”); (merde is poep en toi is jou, maar in het Nederlands vertaald lijkt dat natuurlijk nergens op, maar ik kon ook niet zo gauw zo’n Duitse scheldkanonnade in het Frans vertalen).

Als wij in het ”gelid” liepen op de terugweg, moest er gezongen worden. De Duitsers zongen dan meestal van die Nazi strijdliederen, zoals het Horst Wessellied: Die Fahne hoch, die Reien fest geschlossen, SA marchiert enz. Daarna moesten wij zingen (jetzt die Holländer). Wij zongen dan: Het is plicht dat iedere jongen voor zijn geliefde vaderland zijn beste krachten wijdt enz. eindigend met (uit volle borst!):Voor Koningin en Vaderland enz. en dat in Duitsland, iets waar je hier in Nederland zwaar voor gestraft zou worden, maar die moffen vonden het prachtig.

Op een keer moest één van onze jongens zijn behoefte gaan doen,”austreten” heette dat. Uiteraard mocht hij niet ver weg. Zag in zijn buurt een papiertje rond dwarrelen, dat hij pakte om zijn gat mee te kunnen afvegen; het bleek een pamflet in het Nederlands te zijn door een Engels vliegtuig boven Nederland uitgegooid met verhalen over het verloop van de oorlog, gezien van uit het geallieerde kamp, wat weer wat anders was dan dat van Duitse zijde en dus maar niet gebruikt als pleepapier. Je zou zeggen “wonderen bestaan dus”. Overigens was het zwaar “gekleurd”, want zo goed ging het niet aan de geallieerde kant.

In maart kreeg ik een ongeluk; wij moesten o.a. spoorrails versjouwen van 80 kg per meter. De Hollanders waren relatief lang en de Fransen klein; zij deden alsof zij sjouwden, zodat er meer gewicht op onze schouders kwam. Met rotschoenen op een ongelijke grond met een zware last op de schouder ben ik gezwikt; had daardoor een knieblessure, zodat ik niet meer lopen kon en later is gebleken dat ik ook nog een behoorlijke rugblessure heb opgelopen. Vanwege die knieblessure ben ik geopereerd in de gevangenis door een medegevangene die arts was: een dot chloroform als verdoving. Daarna kwam ik op een ziekenzaaltje van de gevangenis, waar die Duitse arts de leiding over had. Ben daar, denk ik wel een paar kilo aangekomen: hoefde niet te werken, het eten was betrekkelijk goed en in elk geval voldoende. Ben daar gebleven tot een dag voor mijn ontslag, was allang beter, maar die Duitse arts hield mij de hand boven het hoofd.

Duitse bewakers zijn rare mensen; als je op de been bent, doen ze niet anders dan slaan en schelden maar zo gauw je wat hebt, blijven ze meters bij je vandaan.

Ik heb gehoord dat toen in april het hele Autobahn-gebeuren voorbij was; al het materiaal ging naar Rusland, want daar was wel wat aan de hand.

Eind april werd ik vrijgelaten; kreeg nog wat geld mee (mijn verdiende geld!) net genoeg om een enkele reis Haarlem te kunnen kopen. Een hele dag over die reis gedaan, met alleen mijn ontslagbewijs als identificatie, en geen eten voor onderweg. Kreeg in Amsterdam nog een broodbon van een mevrouw, waar ik een snee brood voor kon kopen.

Er stond achteraf gezien nog een fout in dat ontslagbewijs: geboortedatum 7 december 1942 in plaats van 1924, dat heeft niemand gezien, ik ook niet. Mijn vader en vriend stonden op het perron in Haarlem bij de trap naar mij uit te kijken. Ik zie hem nog staan: boven op een hek speurend als een roofvogel en holde naar mij toe, zo gauw mij in de drukte zag en nadat ik mijn hand had opgestoken. Zij moeten daar al uren hebben gestaan, want zij wisten natuurlijk niet met welke trein en hoe laat ik zou aankomen. Ik woog toen minder dan 50 kilo (nu bijna 90!).In september ben ik weer naar school gegaan en deed in juli het jaar daarop eindexamen B met goede cijfers, maar met een 5 voor tekenen.(had een zeilbootje gekozen maar kreeg het vaantje er niet op).Werd daardoor niet toegelaten op de MTS (nu HTS) afdeling Scheepsbouw (moest je minstens een 6 voor tekenen hebben). In plaats daarvan ging ik naar de Zeevaartschool in Amsterdam.

Moest eigenlijk in Duitsland als dwangarbeider in het kader van de Arbeitseinsatz gaan werken (iedere mannelijke Nederlander, geboren in 1924 en eerder-er was boven leeftijdsgrens van 35 jaar- werd daartoe verplicht, uitgezonderd lichamelijk -en geestelijke gehandicapten, lui die in de voedselvoorziening zaten, scholieren die nog eindexamen moesten doen en vrijgestelden, meestal NSB’ers. Op één of andere manier heeft mijn vader een vrijstelling (Ausweis) voor mij bewerkstelligd, hoe weet ik niet en dat zal ik ook nooit meer te weten komen.

Ik zat inmiddels in Halle (had er nog nooit van gehoord) in de Achterhoek (ligt tussen Varsseveld en Zelhem) op een boerderij. Eerst bij een boer (had die vent nog nooit gezien of van gehoord), maar daar kon ik niet goed mee overweg en nadat ik een pot carbolineum van de ladder af over zijn kop gegooid had, ben ik bij een andere boer terecht gekomen: Een boer, zo arm als de pest, maar erg aardig.

Ik kreeg een briefkaart van thuis dat ik weer naar Bloemendaal kon komen. Mijn vriend, welke me ook van het perron had gehaald (hij had eindexamen HBS B gedaan) en zat in Aalten ondergedoken bij familie. Ik vertelde hem van die vrijstelling, want hij wilde naar de MTS afdeling Werktuigbouw en ik geloof, dat hij daar ook een blauwe maandag op gezeten heeft.

Hij is met zijn vader naar het Arbeidsbureau aan de Kleine Houtweg gegaan, ook voor zo’n vrijstelling. Zijn Pa in vol (politie)ornaat, compleet met sabel en pistool. Het mocht niet baten: Hij moest naar Duitsland. Ik ben toen naar de Zeevaartschool gegaan, in 1 jaar tijd afgemaakt (er stond eigenlijk 2 jaar voor); had mij al opgegeven voor de marconisten cursus, maar ik kreeg bericht dat ik mij moest melden voor de Duitse koopvaardij: oorlogsmateriaal van de Duitse Oostzeehavens naar de Baltische havens en met gewonden weer terug.

Ik ben toen weer naar Halle gegaan en bij de aardige boer gezeten; het was de heetste zomer van die eeuw, maar dat wisten wij toen niet: we hadden geen krant, geen radio en televisie was er nog niet. In Warnsveld (in de buurt van Zutphen) werd toen een temperatuur van rond de 36 graden gemeten. Ik nam mij toen voor: Ik ga nooit meer naar de Achterhoek, want ik dacht dat er altijd zo heet was.
Ging begin september “even” met de trein terug naar Bloemendaal, wat erg link was voor een onderduiker zonder papieren. Dus heel erg alert zijn en goed uitkijken voor controles. De spoorwegstaking brak uit, ik kon niet meer terug en ben met mijn vader en moeder meegeëvacueerd naar Overveen, waar wij in een huis kwamen met nog twee andere gezinnen. Dat was al na Dolle Dinsdag. Naast ons kwam een gezin met 14 kinderen te wonen. Alle kinderen sliepen in één bed. Toen wij de handkar aan het lossen waren, hoorde ik een voorbijgangster zeggen: Hier komt zeker een kleuterschool. Die vader was tuinder. Die kinderen moesten helpen met aardappelen schillen, groente schoonmaken. Op een dag stonden ze van die hele grote uien schoon te maken. Ik vroeg: Hoeveel? Antwoord:200. Zal wel lekker gestonken hebben die avond in dat slaapvertrek.

Achteraf gezien heeft die gevangenschap voor- en nadelen gehad. Het voordeel is geweest dat ik “weerbaarder” ben geworden: weerbaar in de zin van: de situatie overzien en hem de baas blijven,je niet in een hoek laten drijven,van je afbijten als het nodig is,je niet laten vernederen of in een slecht daglicht laten plaatsen,nergens bang voor zijn:niet bang ten opzichte van minderen, gelijken en meerderen- hoewel je dat laatste vaak wel, maar niet altijd in dank wordt afgenomen. Een grote mond kan je af en toe parten spelen,en misschien is het wel het beste om tegen meer dan gelijken niets te zeggen en er het jouwe van te denken. Het nadeel is geweest,dat ik er een flinke beschadiging aan de rug van heb overgehouden, waarvan nu behoorlijk last van heb.

Bij onze illegale werkzaamheden zijn wij niet goed te werk gegaan. Een aantal van ons kende elkaar bij naam, toenaam en gezicht en daardoor was de groep kwetsbaarder voor verraad. Je moet cellen vormen van kleine groepen van drie of vier man, die elkaar alleen maar kennen onder schuilnamen. Steeds op andere adressen bij elkaar komen. Bij grotere operaties meerdere cellen bij elkaar voegen met onherkenbaar gemaakte gezichten.

Het is echter onmogelijk infiltranten te onderkennen; zij doen zich normaal voor, maar zijn er op uit de boel te verraden. Je moet er uiterst alert op zijn. Communisten kenden die cellentactiek al, maar er zijn er veel opgepakt en geëxecuteerd, mede omdat zij elkaar kenden, maar ook omdat zij nonchalant werden.

De illegaliteit bestond uit gereformeerden en communisten en alles wat daar tussen zit. De werkzaamheden besloegen o.a.: het drukken en verspreiden van illegale bladen, vervalsen van persoonsbewijzen (identiteitskaarten) en bonkaarten, overvallen op distributiekantoren, gevangenissen, munitie- en voedseltransporten van de Wehrmacht, bonkaarten bezorgen bij onderduikers, onderduikadressen regelen en verlenen aan joden, het doodschieten van verraders, het vervoeren van Jodenkinderen naar o.a. Friesland, het afbakenen van “dropping areas” (plaatsen waar wapens afgegooid werden door vliegtuigen, gewoonlijk gebieden met een geringe bevolking),het geven van lichtsignalen aan de vliegtuigen, het verzamelen, vervoer en distribueren van de wapens, het regelen van Duitse uniformen en wapens voor overvallen, het verzorgen van radiocontact met Engeland, steeds ergens anders in verband met gevaar van uitpeilen van de zender door de Duitsers, geld regelen voor zeemansvrouwen waarvan de mannen voor de geallieerden voeren. Meisjes en jonge vrouwen waren “koeriersters”: zij brachten boodschappen, bonkaarten en ook wel wapens over. Alles is min of meer “spontaan” ontstaan, maar is later gereguleerd en gecoördineerd- LKP (landelijke knokploegen) voor het “harde werk” en L.O. (landelijke organisatie voor onderduikers) voor het “zachte werk”-,wat de effectiviteit verbeterd heeft, overigens met de nodige opstart moeilijkheden. Zo werd de OD aanvankelijk geleid door reserve-officieren, die daarbij nogal autoritair en arrogant optraden, bepaald niet de juiste mentaliteit om stiekeme dingen te doen, maar ook dat is opgelost.

Tijdens de oorlog had ik allerlei handeltjes en deed ook wel klusjes. Wij hebben ook nog een Jodenman in huis gehad. Voor hem deed ik ook wel eens wat: spullen brengen bij zijn familie in Amsterdam, daar ergens achter het Concertgebouw. Hij had ook een mooie antieke viool en die is nog op zijn verzoek door bemiddeling van mijn vader verkocht, zodat hij weer wat extra geld had waar de moffen niets van wisten, want al zijn officiële eigendommen waren inmiddels in beslag genomen. Mogelijk heeft hij dat geld gebruikt om weg te kunnen komen. Op een bepaald moment waren zij weg; later hoorden wij dat zij via België naar het onbezette deel van Frankrijk zijn gegaan.(Het zuidelijk deel van Frankrijk was niet door de Duitsers bezet, maar het had wel een fascistisch bewind onder leiding van Maarschalk Pétain). Hij is ergens in België opgepakt en in Duitsland in een concentratiekamp omgebracht; zijn vrouw en hun kinderen zijn blijkbaar ontkomen en kwamen na de oorlog weer terug in Bloemendaal. Er stonden nog wat spullen van hen bij ons in huis en die hebben zij toen weer teruggekregen.

Dolle dinsdag en verder (september 1944 tot mei 1945)

Op maandag 4 september 1944 werd Antwerpen door de geallieerden bevrijd.
Er kwam op dinsdag 5 september 1944 een (achteraf gezien foutief) bericht van de Engelse radio, dat de geallieerden al doorgestoten waren naar Breda en snel oprukten naar het noorden. (Dat was Radio Oranje, waar wij niet naar mochten luisteren, maar de meeste mensen deden dat heel stiekem ondanks dat het zelfs verboden was een radio te hebben). Toen is de geruchtenstroom op gang gekomen: ze zijn al in Rotterdam, ze zijn al in Den Haag, in Leiden en op weg naar Haarlem, waar ze gauw binnenkomen. Drommen mensen met bloemen naar de Wagenweg om de troepen te verwelkomen. Vlaggen uit en Oranje op de revers. Duitsers, Duits gezinden en vooral NSB’ers vluchtten in paniek naar Duitsland. De stations stonden vol met NSB’ers en als er dan een trein kwam, was er een groot gedrang. Het verhaal ging, dat een prominente Bloemendaalse NSB’er met zijn vrouw daar ook was. Maar de man had al jarenlang een buitenechtelijke relatie met een juffrouw, die ook NSB’er was.In het gedrang is hij zijn vrouw ontlopen, en er vandoor gegaan met die griet en liet zijn vrouw op het perron achter, die hem nog steeds stond te zoeken, maar de trein was al weg. Hij met die juf. Lachen dus, toen wij dat hoorden.

De werkelijkheid was dat de geallieerden te weinig manschappen hadden om in die korte tijd zover op te trekken. Het heeft daarna nog acht maanden geduurd voordat de geallieerden werkelijk kwamen. Een grote teleurstelling dus.

Die dinsdag is de geschiedenis ingegaan als Dolle Dinsdag.

Volgens Cruyff heeft elk nadeel zijn voordeel; het nadeel was dat de geallieerden niet kwamen, het voordeel was dat de meeste en vooral de gemeenste NSB’ers weg waren. Maar in feite hadden wij dubbel nadeel: geen bevrijding, maar wel opgezadeld met een rotte winter en dat NSB- probleem was bij een eventuele bevrijding ook meteen opgelost geweest. Daarna kwamen de luchtlandingen bij Arnhem met als doel snel door te stoten naar Berlijn en om zodoende spoedig een einde aan de oorlog te maken. Tijdens die luchtlandingen riep de Nederlandse regering in ballingschap op tot een algemene spoorwegstaking, waaraan veel gehoor werd gegeven, om te zorgen dat de Duitsers geen oorlogsmateriaal meer konden vervoeren. Die luchtlandingen mislukten en de spoorwegstaking werkte voor ons als een boemerang. Voedseltransporten voor de bevolking werden gestopt, geen aanvoer van kolen en dus geen licht en gas meer, en natuurlijk ook geen brandstof voor de huishoudens.

Die winter is bekend geworden als de “Hongerwinter” en vooral de mensen in de grote steden waren daar de dupe van.

Er zijn toen ook veel mensen dood gegaan van de honger. (volgens naoorlogse berichten ongeveer 100.000). In de Zuiderkerk in Amsterdam stonden honderden (kartonnen) lijkkisten op de koude vloer, omdat er meer mensen doodgingen van honger en ellende dan er begraven konden worden. Tijdens de hongerwinter zijn in Den Haag nog twee nichtjes van mij (een tweeling) geboren. Zal niet eenvoudig geweest zijn voor die ouders toen. Leegstaande huizen van weggevoerde Joden werden gesloopt voor het hout, bossen leeggekapt om te kunnen stoken, hongertochten met alles wat maar kon rijden, geduwd of getrokken kon worden. Er waren mensen die op de terugweg waren met hun veroveringen en bij de Velserpont (de tunnel was er toen nog niet) alles kwijt raakten wegens inbeslagname door de zogenaamde Crisis Controle Dienst, (hoofdzakelijk NSB- ers).

Ze kwamen dan met niets thuis, maar wel 4 dagen lopend onderweg geweest en hun ruilartikelen kwijt. Mensen ruilden hun bezittingen in voor voedsel: linnengoed, tafelzilver, gouden ringen, sieraden en alles wat maar van enige waarde was. Er waren boeren in Noord-Holland die aan het hek een bord hadden hangen met: “We hebben alles al en ruilen niet meer in”. Maar er waren natuurlijk ook goede boeren, die de mensen aan voedsel hielpen, hoofdzakelijk aardappelen, erwten en bonen.
Mijn vader heeft nog zo’n tocht gemaakt naar de Wieringermeer met de handkar (lopend dus) en kwam terug met een vracht piepers. Hij heeft daarbij geluk gehad. Hij droeg altijd een bolhoed. Tegen de avond kwam hij in de Wieringermeer bij een boerderij. Die boer zei: Ik heb geen aardappelen voor jullie; jullie kunnen wel blijven slapen, maar dan wil ik jullie persoonsbewijs hebben. Hij ging daarmee naar zijn woonkamer en zei: Ik heb er nu één met een bolhoed. Er was daar een onderduiker uit Bloemendaal en hij zei tegen die boer: Ik ken er maar één met een bolhoed achter een handkar en dat is Gras, laat mij eens die persoonsbewijzen zien. De volgende ochtend zei die boer tegen mijn vader: Blijf even wachten voor u verder gaat. Die anderen gingen verder zonder en mijn vader kreeg zijn aardappelen en kon daarmee naar huis.

Vanwege de bekende St.Nicolaas-razzia (6 december 1944) zat ik ondergedoken in een schuilkelder op een buitenplaats naast Hotel Roozendaal (Belvedère) en “vierde” daar op 7 december mijn 20ste verjaardag met het allereerste glas jenever van mijn leven. Door tijdige waarschuwing en geluk hebben ze mij niet kunnen pakken. In die kelder zat ik met een kruidenier, een banketbakker, de zoon van de eigenaar en de oberkellner van Roozendaal. Die kelder was van te voren al ingericht en ik heb het nog nooit zo goed gehad als toen; wij kregen warm eten van de hotelkeuken. Omdat wij vonden, dat wij te dicht bij de weg zaten zijn wij via buitenplaatsen langs de Brouwerskolk naar de watertoren op de Zeeweg gegaan en hebben daar ook nog enige tijd gezeten.

Wij waren in september 1944 geëvacueerd uit Bloemendaal en kwamen terecht in Overveen, schuin tegenover Hotel Roozendaal. Van Bloemendaalseweg 49 naar Bloemendaalseweg 241.  Absurd eigenlijk.

Later (eind december 1944) zijn we weer teruggegaan naar Bloemendaal en hebben daar toen clandestien in ons eigen huis gewoond. Er was een spertijd (een deel van de dag dat je niet op straat mocht) van ’s avonds 8 uur tot ‘s morgens 4 uur. ’s Morgens om 4 uur het bos in, boom omzagen, handzame stukken van een paar meter maken en die op de handkar mee naar huis nemen, daar in stukken zagen en kloven en wij maar stoken. Ik liep eens ’s morgens om 4 uur in het bos om naar een geschikte boom te kijken. Kwam toen een politieagent tegen, die mij vroeg: Wat doe je hier? Waarop ik zei: Een beetje wandelen. Hij zei toe toen: Pas maar op, want anders zit je zo in Duitsland waarna ik gezegd heb, dat hij daar het lef niet voor had. Misschien wilde hij mij waarschuwen, maar dat kwam niet zo over. Ik kende die vent; zijn dochters gingen met Duitsers uit en zij zijn ook nog verloofd geweest met geüniformeerde NSB’ers (ik geloof dat het zelfs SS-tenues waren), waarmee zij op het voetbalveld stonden. Met die jongste van de twee had ik nog in de klas gezeten.

Ik ben ook nog eens nagezeten door een Duitse soldaat. Ik vluchtte natuurlijk en kwam daarbij in zo’n schuttersputje terecht, hoe weet ik eigenlijk niet meer.(er waren overal van die gaten in de grond als er nog eens van man tot man gevochten moest worden).Hij liep rakelings langs mij; als hij een speurhond bij zich had gehad, was ik de klos geweest.

‘s Middags ging mijn vader op “rooftocht’, hij kwam altijd wel thuis met een stuk kaas en/of spek, en/of wat overjarige erwten of bonen, want hij kende veel mensen, die nog wat in voorraad en van tevoren “gehamsterd” hadden. Wat dat betreft zijn wij toen niets te kort gekomen. Op de kachel werd ook gekookt, o.a. onze piepers en suikerbieten. Die suikerbieten werden geraspt, gekookt en het kookvocht werd afgegoten in een andere pan, daarna ingedampt tot er een stroop overbleef. Van de pulp werden koekjes gemaakt; we vonden ze toen lekker met die stroop (ik denk nu niet meer).

Mijn vader had ook altijd bloembollen in de tuin (Darwintulpen); die hebben wij toen ook nog opgegeten, maar ze smaakten een beetje zoetig en bepaald niet lekker. Omdat wij een handkar hadden, kwamen er veel mensen vragen of ze de kar mochten lenen om naar “de Noord” te gaan om eten te halen. Voor wat, hoort wat: je mag hem lenen voor een zak aardappelen en dat deden ze maar al te graag, behalve als ze terug waren, dan werden ze meestal moeilijker. Elektriciteit hadden we niet, maar iets verderop was een tandarts die voor de Duitsers werkte. Die kreeg af en toe stroom om te boren en dan ging het als een lopend vuurtje door de buurt (er waren veel mensen die weer clandestien in hun eigen huis woonden) dat er stroom was en dan werd er ook gekookt op het elektrische kacheltje om weer hout uit te sparen. De hoofdzekering was er uitgehaald door iemand van het PEN, maar zo gauw die vent weg was, hebben we er weer één ingestopt, een naald in het wieltje van de meter om niet aan te geven dat je wat gebruikt had. Mijn vader heeft na de oorlog vergeten die naald eruit te halen en bij controle door het PEN is dat ontdekt natuurlijk. Hij moest toen op het hoofdkantoor van het PEN in Bloemendaal komen en heeft zitten kletsen als Brugman om zijn verhaal geloofwaardig te maken. Die man waarmee hij moest kletsen, kende hij (gelukkig voor mijn vader).

Door de duinen, parallel aan de kust, maar ook in Haarlem had je een zgn. tankmuur (een dikke betonnen muur); op de doorgaande wegen stond een bord met daarop: MAUER (voor de Duitsers) en MUUR (voor de Nederlanders). Sommige mensen noemden dat ding dan ook de MAUERMUUR. Er was dan een smalle doorgang. Zo had je van die doorgangen op de Zeeweg, Zijlweg, Julianalaan (toen Hemonylaan genoemd, want er mochten geen straatnamen zijn met koninklijke namen) Kleverlaan, de brug over de Delft achter station Bloemendaal en meer. Merkwaardig is, dat die stonden, waar nu de Randweg is. De Delft is toen ook verbreed en dieper gemaakt, moest dienen als tankval. Zo’n stuk muur is nu nog te zien achter station Castricum op de Zanderij. Langs de kust stonden grote betonnen bunkers met smalle schietgaten. Die bunkers stonden van de Noordkaap tot aan de Spaanse grens. Zulke bunkers zijn nog te zien in de film “De langste dag”(gaat over de invasie in Normandië van juni 1944). Na de oorlog zijn ze meestal “begraven”, maar nu stuiven er weer veel bloot.(opblazen ging niet, daar waren ze te dik voor). Ook zijn er nog bewaard gebleven en hebben nu een historische status. Aan de binnenkant van het duin stonden kleinere bunkers, meestal voor opslag en een jaar na de oorlog werden ze verhuurd als zomerhuisjes. Veel comfort zullen ze wel niet geboden hebben, maar de mensen waren toen niet zo kieskeurig.

Ik ben vlak na de oorlog in zo’n bunker geweest en heb daar een seinpistool en een paar signaalpatronen en rookbommen uitgehaald. Die heb ik toen afgestoken, de pijlen waren niet zo spectaculair overdag maar in het donker waren ze heel mooi. Die rookbommen waren dat wel: strip eraf en roken maar; de wind blies de rook wel weg. Op een avond heb ik nog eens zo’n rookbom in een hel verlichte, spierwit gekalkte vestibule van een villa gelegd. De deur was niet op slot. Strip eraf, op de bel gedrukt en een eindje verderop kijken wat er ging gebeuren. Wat weet ik niet precies meer, maar wel dat toen dit ding uitgerookt was, de hele vestibule en ook het lampje aan het plafond bedekt was met een oranje verflaag. Was eigenlijk niet mijn bedoeling, maar wel leuk voor een ander om te zien.

Er lagen veel landmijnen op het strand en in de duinen; die zijn na de oorlog veelal (maar niet allemaal) verwijderd door Duitse militairen, die dan, als de klus geklaard was, over het geruimde gebied arm in arm moesten lopen; ze keken dus wel uit om er met de pet naar te gooien.

Ik wilde eens van ons huis in Overveen naar iemand die in Bloemendaal tegenover ons woonde, maar toen geëvacueerd was en in een huis op de Zijlweg woonde. Ik moest daarvoor door de “Mauermuur”. Ik zag toen een jongen hard hollend door die muur komen met een Duitser achter hem aan met het geweer in de aanslag. Ik ben toen als een haas teruggegaan, mij achter Hotel Roozendaal verstopt en daarna heb ik nog een poos achter een grafsteen gezeten van het kerkhof van de Roomse kerk dichtbij Roozendaal. Dat kerkhof is er nog.

Na januari 1945 werd het wat minder onveilig op straat.
NSB’ers waren weg en de Duitsers hadden de moed opgegeven en zagen het eind van de oorlog met voor hun een slechte afloop naderbij komen. Eind maart kreeg ik een mededeling, dat mijn vriend thuis was gekomen: hij was uit Duitsland gevlucht (zijn tweede vluchtpoging- de eerste was mislukt), stond in de buurt van zijn ouderlijk huis, wat inmiddels in het “Sperrgebiet” was komen te liggen, maar dat wist hij niet toen.

Zijn ouders zaten geëvacueerd in Aerdenhout op de Oosterduinweg in een vrijgekomen huis van een gevluchte NSB’er. Ik ben daar toen heen gefietst, als meisje verkleed, hoofddoekje om en beetje poeder op mijn gezicht en lippenstift op mijn lippen. Moest daarbij langs Elswout, waar een gewapende Duitse schildwacht stond. Hij floot naar me! Toen ik bij hun huis aanbelde, werd de deur opengedaan door Bram, de broer van mijn vriend en zei: ”Dag juffrouw”; blijkbaar zag ik er nogal geloofwaardig uit, ondanks mijn schoenen, van die soldatenkisten, maat 43. Later is Bram bij het houtsprokkelen in op één van de landgoederen rond Overveen een diepe ijskelder gevallen met zijn hoofd op een eikenhouten balk.
Zijn vriendinnetje, die toen bij hem was, heeft alarm geslagen. Hij werd op een fietsbrancard naar het noodhospitaal in Overveen gebracht en werd daar vandaan meteen doorgestuurd naar het Diaconessenhuis in Haarlem. Zijn vader liep in politie-uniform naast de brancard. Ergens op de Zijlweg wilden ze hem eraf gooien, om er een Duitser op te vervoeren, die bij een auto-ongeluk gewond was geraakt. Zijn vader heeft dat toen kunnen voorkomen. Bram zag er natuurlijk niet uit, volkomen onherkenbaar en op een tafeltje naast zijn bed lag er een fotootje hoe hij er in wekelijkheid uitgezien had. Na de oorlog is zijn vriendin nog in het ziekenhuis bij hem op bezoek geweest met de Canadees waar zij toen verkering mee had. Was wel zuur voor Brammetje.

Bloemendaal is ook nog gebombardeerd. In een groot huis van een buitenplaats “Schapenduinen” op de Brederodeweg zat de “Ortskommandant” een zeer hoge Duitse pief en misschien zat er wel meer, wat wij niet wisten, maar de Engelsen waarschijnlijk wel. Jammer genoeg kwamen de bommen terecht op woonhuizen aan de Duinwijkweg, achter het hockeyveld. Ik stond toen in het Jeugdhuis aan de Donkerelaan, op mijn beurt te wachten voor een schep eten van de gaarkeuken. Toen die bommen vielen,vlogen de ruiten van het Jeugdhuis eruit, de mensen vlogen alle kanten op, ook die allemaal voor mij stonden. Ik ben toen onder een tafel gekropen en toen de boel voorbij was, er onder uit gekropen en zo stond ik meteen vooraan.

In maart 1945 was het rantsoen een half broodje per persoon per week; van dat vieze kleffe brood wat nu nog niet goed genoeg zou zijn om de eenden mee te voeren. Verder niets.

Er is ook nog een schip in Delfzijl uit Zweden aangekomen met een lading meel van het Rode Kruis, om brood van te bakken voor de inwoners van de westelijke provincies: Utrecht, Noord- en Zuid-Holland. Een paar weken later konden wij op een bon de man een halfje wittebrood krijgen. Dat smaakte als cake. Er was ook een levendige zwarte handel; de prijzen logen er niet om: een mud aardappelen kostte ƒ 700;een mud tarwe ƒ3000 ;een pak lucifers ƒ 20;een pakje sigaretten van 20 stuks ƒ70 ;een pond vlees ƒ 40; een rookworstje ƒ 40,een fles raapolie ƒ130. Omgezet naar de huidige standaard moet je deze bedragen wel met minstens 30 vermenigvuldigen. Zwarthandelaren werden dan ook stinkend rijk.

Zo ook de aannemers die voor de Wehrmacht werkten, de zgn. bunker bouwers, meestal tot dan toe onbetekenende lieden die hun kans schoon zagen. Na de oorlog zijn de meesten daarvan in het gevang gekomen wegens collaboratie, maar de bedrijven hadden ze veelal overgezet op naam van hun vrouw of zoon, zodat het gewoon kon doorgaan. Er was er ook een enkele die zich met veel smeergeld liet “zuiveren”. Een bekend voorbeeld daarvan was de latere “bekende” vastgoedmagnaat, Rijnder Zwolsman.

Bijna iedereen zon op wraak. Er zou, zo gauw Nederland bevrijd was, een “bijltjesdag” komen: elke verrader zou eraan gaan. Zover is het niet gekomen, geen slachtpartijen dus. Er zijn wel meiden die met moffen uitgegaan waren (dat waren de “moffen meiden”), kaal geschoren, waarbij met teer of menie een hakenkruis op het kale hoofd werd geverfd en eventueel ook veren opgeplakt werden.

Na de oorlog zijn wij “bovengronds” gegaan, de capitulatie van de Duitsers was op 4 mei, maar de Canadese troepen kwamen pas op 8 mei in Bloemendaal. In die dagen tussen de capitulatie en de komst van de Canadezen, liepen wij ’s nachts gewapend door de bossen rond Bloemendaal (blijkbaar nog niet weggekapt) en op een keer kwamen wij toen nog een gewapende patrouille Duitsers tegen. Wij hebben elkaar niets gedaan, geen schot gelost. Ook dat was erg spannend.

Toen de Canadezen er eenmaal waren, gingen veel van ons bekende meisjes met hen intiem om, en als wij ze tegen kwamen, gooiden die grieten hun pas aangestoken sigaret voor ons op de grond, zodat wij ook wat te roken hadden, want sigaretten hadden wij niet; soms één gemaakt van peuken die op straat lagen: ”bukshag” noemden wij dat. Vies eigenlijk, als je daar nu aan denkt.

Daarna is alles min of meer weer normaal geworden, hoewel het wel heel lang geduurd heeft voordat alles weer in orde was.

 

Arnold Nicolaas Gras

7 december 1924 – 22 augustus 2012